Particulieren en de inkomstenbelasting - Deel 3: Lijfrenten

Bij Ageras staat februari helemaal in het teken van de inkomstenbelasting. Met deze nieuwe reeks willen we particulieren optimaal voorbereiden op het indienen van hun aangifte inkomstenbelasting 2017. Heeft u een helpende hand nodig bij het ontwarren van alle aftrekposten en heffingskortingen? Lees dan vooral verder: in deel 3 bespreken we de lijfrenten. Heeft u toch meer hulp nodig? Neem dan gerust één van onze specialisten in de arm: ontvang nu gratis en vrijblijvend 3 offertes!

Wat is een lijfrente?

Met een lijfrente kunt u een extra inkomen sparen. U verzamelt het inkomen door premies te betalen (lijfrenteverzekering) of door geldbedragen te storten op een speciale rekening (lijfrenterekening, lijfrentebeleggingsrecht).

Dat geld blijft geblokkeerd tot een vooraf vastgesteld moment - vaak is dat een tijdstip waarop u het geld het meest kunt gebruiken, zoals net na uw pensioen. Op die manier heeft u op latere leeftijd een appeltje voor de dorst.

Zodra die datum bereikt is, krijgt de begunstigde van de lijfrente (u, uw partner, invalide kind of kleinkind, derden) op periodieke basis een bedrag uitgekeerd.

Bovendien spaart u met fiscaal voordeel: de premies en stortingen kunt u onder voorwaarden aftrekken (zie onder).

Lijfrenten bestaan in drie vormen:

  • Een lijfrenteverzekering
  • Een lijfrenterekening
  • Lijfrentebeleggingsrecht

Een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht is een geblokkeerde rekening waarop u geld kunt sparen dat u later krijgt uitbetaald als lijfrente.

Wat is geen lijfrente?

U heeft geen lijfrente als er op voorhand werd vastgesteld dat het totale bedrag in één keer wordt uitbetaald. Krijgt u het bedrag periodiek uitbetaald, maar is de totale hoogte van het bedrag vastgelegd voordat de uitkeringsperiode ingaat? Ook dan telt de regeling niet als lijfrente. Indien er echter alleen een minimumbedrag werd afgesproken - met de mogelijkheid dat de uitkering zelf hoger kunnen zijn - dan geldt het wel als lijfrente.

Fiscale voorwaarden

Als uw lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht niet met de onderstaande voorwaarden overeenstemt, dan beschouwt de Belastingdienst ze niet als lijfrente, en mogen de bijbehorende premies en stortingen niet afgetrokken worden in uw aangifte inkomstenbelasting.

Indien uw lijfrente niet meer aan de voorwaarden voldoet omwille van een poliswijziging, dan geldt de procedure voor afgekochte lijfrenten. In dat geval betaalt u (meestal) revisierente (zie onder).

Periodieke karakter

De uitkering moet periodiek verstrekt worden. Dit wil zeggen dat de begunstigde minstens éénmaal per jaar een bedrag krijgt. Ook zijn de periodes tussen de betalingen altijd even lang, en de bedragen even hoog.

U moet de lijfrente hebben afgesloten bij een erkende verzekeraar, beheerder of instelling

Lijfrenteverzekeringen moet u afsluiten bij pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen die in Nederland gevestigd zijn. Is het bedrijf in kwestie toch gevestigd in het buitenland? En had u al uw lijfrenteverzekering of pensioenregeling vóór u in Nederland kwam wonen? Als u daarop “ja” kunt antwoorden, en het buitenlandse orgaan is erkend door de minister van Financiën, dan geldt dit als lijfrente. U kunt de website van de Belastingdienst raadplegen voor een uitgebreid overzicht van erkende pensioenfondsen en aanbieders van lijfrenten.

Lijfrenterekeningen moet u geopend hebben in een bank of een beleggingsfirma die in Nederland gevestigd is, of een buitenlandse onderneming die erkend werd door de minister van Financiën. Momenteel zijn er nog geen erkende buitenlandse ondernemingen voor lijfrenterekeningen.

Voor lijfrentebeleggingsrecht gelden instituten die in Nederland één of meerdere beleggingsondernemingen beheren, of gelijkaardige instellingen in het buitenland die erkend en toegelaten zijn door de minister van Financiën. Momenteel zijn er nog geen erkende buitenlandse ondernemingen voor lijfrentebeleggingsrecht.

Voorwaarden voor lijfrente-uitkeringen bij een verzekeringsmaatschappij

  • Oudedagslijfrente: hiermee ontvangt u een uitkering tot het moment dat u overlijdt. De uitkeringsperiode mag starten op een vrij gekozen tijdstip, maar niet later dan vijf jaar na het jaar waarin u de AOW-leeftijd bereikt. Voor het aanslagjaar 2017 geldt de AOW-leeftijd van 65 jaar en 9 maanden.
  • Tijdelijke oudedagslijfrente: hiermee ontvangt u een lijfrente-uitkering gedurende een periode die minstens 5 jaar duurt. De uitkeringsperiode mag starten op een vrij gekozen tijdstip, maar niet later dan vijf jaar na het jaar waarin u de AOW-leeftijd bereikt. De uitkeringsperiode stopt op een vooraf vastgesteld tijdstip. Voor het aanslagjaar 2017 mag die uitkering niet hoger zijn dan €21.312 per jaar.
  • Nabestaandenlijfrente: hier heeft u twee mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om een lijfrente-uitkering te krijgen zodra uw (ex-)partner overlijdt. Een andere optie is dat uw nabestaanden uitkeringen ontvangen zodra u overlijdt, en dat en tot hun eigen overlijden. Zijn de begunstigden uw eigen kinderen, en zijn ze 30 jaar of jonger? Dan mag u de uitkering eerder laten stoppen, maar ten laatste in het jaar waarin ze 30 jaar worden.
  • Overbruggingslijfrente: deze mag u alleen maar afsluiten als u lijfrentetegoeden heeft opgebouwd vóór 2006. De uitkeringsperiode moet eindigen in het jaar waarin u 65 jaar wordt, het jaar waarin u de AOW-leeftijd bereikt, of het jaar waarin uw pensioenuitkering start. De uitkering mag niet hoger zijn dan €63.288.

Voorwaarden voor lijfrente-uitkeringen bij een bank of een beleggingsinstelling

  • Oudedagsuitkering: De uitkeringsperiode start ten laatste 5 jaar na het jaar waarin u de AOW-leeftijd bereikte en loopt minimaal 5 jaar. Als het jaarlijkse bedrag van de uitkering hoger ligt dan €21.312 (aanslagjaar 2017), dan loopt de uitkeringsperiode minimaal 20 jaar.
  • Tijdelijke oudedagsuitkering: Deze uitkering ontvangt u vóór het bereiken van de AOW-leeftijd. De uitkeringsperiode loopt minimaal 20 jaar plus het aantal jaren dat u de uitkering kreeg vóór het bereiken van de AOW-leeftijd. 

Voorwaarden voor nabestaandenuitkeringen

Als u een geblokkeerde rekening heeft of beleggingsrecht om dat gespaarde geld later aan uw nabestaanden uit te keren, dan is de uitkeringsperiode onderworpen aan voorwaarden. Zo ontvangt uw (ex-)partner de uitkeringen gedurende een periode die minimaal 5 jaar duurt. Deze termijn moet ten laatste 6 maanden na uw overlijden starten. Als uw nabestaanden de uitkering ontvangen, dan gebeurt dit meteen na uw overlijden.

Zijn de nabestaan in kwestie uw ouders of uw kinderen die ouder zijn dan 30 jaar? Dan loopt de uitkering minimaal 20 jaar. Als uw kinderen jonger zijn dan 30 jaar, dan heeft u drie keuzemogelijkheden:

  1. De uitkeringsperiode is minimaal 20 jaar.
  2. De uitkeringsperiode loopt af op de 30e verjaardag van het kind. In dat geval bedraagt de uitkeringsperiode 30 jaar min de huidige leeftijd van het kind.
  3. De uitkeringsperiode loopt af vóór de 30e verjaardag van het kind. In dat geval bedraagt de uitkeringsperiode minimaal 5 jaar.

U kunt de rekening of het beleggingsrecht ook uitkeren aan familieleden die niet uw ouders of kinderen zijn. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor uw kinderen, op voorwaarde dat u de lijfrente uitkeert aan uw broers, zussen, neven, nichten, ooms of tantes (of die van uw fiscale partner) of aan de ouders van uw fiscale partner.

Gaat de uitkering naar iemand anders dan de hierboven vernoemde personen? Dan bedraagt de uitkeringsperiode minstens 5 jaar.

Voorwaarden als de lijfrente-uitkeringen tijdig starten of tijdig omgezet worden in een andere lijfrente

Zodra uw lijfrente uitgekeerd mag worden, start de uitkeringsperiode of mag u de lijfrente omzetten in een andere lijfrenteverzekering, -rekening of -beleggingsrecht. Dit kunt u doen in het jaar van de startdatum of in het daaropvolgende kalenderjaar.

Als u recht heeft op een nabestaandenlijfrente of -uitkering, dan heeft u langer tijd: dan kan de uitkeringsperiode starten in het jaar van overlijden of tijdens de 2 daaropvolgende kalenderjaren.

Laat u de uitkeringen te laat starten? Of zet u de lijfrente te laat om? Dan doet de Belastingdienst alsof u uw lijfrente heeft afgekocht. Er gelden dan andere regels (zie onder). Slechts in bijzondere situaties kunt u de termijn laten verlengen; hiervoor moet u uw belastingkantoor contacteren.

Belastingen

In de volgende situaties hebben uw lijfrenten betrekking op de belastingen:

U betaalt de premies voor uw lijfrenteverzekering of u stort geld op een lijfrenterekening of -beleggingsrecht

Premies en stortingen mag u onder voorwaarden aftrekken in uw aangifte inkomstenbelasting. U mag dit alleen doen in het jaar waarin u ze heeft betaald, en alleen voor de volgende types:

  • Premies of stortingen voor lijfrenten die uw pensioen aanvullen, omdat u een pensioentekort heeft. Het is de hoogte van dit tekort dat bepaalt hoeveel premies of stortingen u mag aftrekken in uw aangifte inkomstenbelasting. Het bedrag dat u mag aftrekken noemt de Belastingdienst jaarruimte: uw jaarruimte is even groot als uw pensioentekort van het vorige kalenderjaar. Als u in 2016 dus een pensioentekort had van €1.000, dan heeft u in 2017 een jaarruimte van €1.000.

    Als u minder premies en stortingen betaalde en u kan de jaarruimte niet volledig gebruiken, dan kan u het overblijvende bedrag (de reserveringsruimte) binnen 7 jaar aftrekken. Als u dus in 2016 een pensioentekort had van €1.000 (uw jaarruimte), maar u betaalde €750 aan premies, dan mag u voor 2016 €750 aftrekken en de overige €250 (uw reserveringsruimte) aftrekken in een later jaar.

    Als u zowel jaarruimte als reserveringsruimte heeft, dan moet u eerst uw reserveringsruimte aftrekken vóór die vervalt. Zodra u de AOW-leeftijd bereikt, mag u de jaarruimte niet meer gebruiken, maar de reserveringsruimte wel.

    Van al uw lijfrenteproducten mag u een maximumbedrag aftrekken - om dat bedrag te bepalen voorziet de Belastingdienst een rekenhulp.

  • Premies of stortingen voor lijfrenten voor nabestaanden.
  • Premies voor een lijfrenten bestemd voor een invalide (klein)kind ouder dan 18 jaar. U kunt deze premies aftrekken als de uitkering bedoeld is om het levensonderhoud van het (klein)kind te financieren, en als de uitkering alleen eindigt als het (klein)kind overlijdt. Betaalt u de premies voor een (klein)kind dat op dat moment nog niet invalide is, maar dat wel invalide zal zijn bij de start van de uitkeringsperiode (volgens medische prognoses)? Ook dan mag u de premies aftrekken.

Let op! Als u in loondienst bent en u op die manier zelf (een deel van) uw pensioenpremie betaalt, dan mag u die premie niet aftrekken. Uw werkgever hield die premie namelijk in vóór er belasting werd geheven over uw loon.

Krijgt u premies terug die u eerder heeft afgetrokken, omdat u de lijfrente ongedaan maakte? Dan moet u deze in uw aangifte inkomstenbelasting aangeven als inkomen. Als u de lijfrente 30 dagen na overeenkomst ongedaan maakt, dan beschouwt de Belastingdienst dat als een afkoop (zie onder).

De uitkeringsperiode van uw lijfrente begint

Zodra u uitkeringen uit een lijfrente ontvangt, moet u die in uw aangifte inkomstenbelasting opgeven als inkomsten. Hoeveel belastingen u betaalt, hangt af van de hoeveelheid premies en stortingen die u voor de lijfrente heeft afgetrokken.

Als u alle premies of stortingen heeft afgetrokken, worden uw volledige uitkeringen belast. Vul in dat geval op uw aangifte de gegevens van uw jaaropgaaf in.

Als u ze niet of gedeeltelijk heeft afgetrokken, dan moet u hierover belasting betalen zodra uw uitkeringen hoger zijn dan het bedrag van de premies of stortingen dat u niet heeft afgetrokken. U kunt een Verklaring niet-afgetrokken premies of bedragen sturen naar uw uitkeringsinstantie, zodat die daarvan op de hoogte is bij de berekening van de loonheffing. U kunt dan in uw aangifte gewoon de gegevens van uw jaaropgaaf opgeven.

U kunt ook op basis van de Verklaring niet-afgetrokken premies of bedragen zelf berekenen hoe groot het onbelaste bedrag is. Dat deel moet u niet aangeven in uw aangifte inkomstenbelasting. Houd hierbij wel rekening met de jaarlijkse maximumbedragen:

Uw niet-afgetrokken premies dateren van 2009 of eerder

U mag alle niet-afgetrokken premies en stortingen meerekenen, want hiervoor geldt geen maximumbedrag.

Uw niet-afgetrokken premies dateren van 2010 of later

U moet rekening houden met een maximumbedrag van €2.269 niet-afgetrokken premies of stortingen per jaar. Dit bedrag geldt voor al uw lijfrenteproducten samen.

Let op! Is uw lijfrente afgesloten vóór 14 september 1999? Dan geldt het maximumbedrag van €2.269 voor elke lijfrente afzonderlijk.

 

Voorbeeld

U sloot een lijfrenteverzekering en een lijfrentespaarrekening af na 14 september 1999:

  • Lijfrenteverzekering: u betaalt jaarlijks €2.000 premies
  • Lijfrentespaarrekening: u stort jaarlijks een bedrag van €3.000

U heeft de premies en stortingen van 2009 en 2010 niet afgetrokken. Het totale onbelaste bedrag is dus €7.269:

      €5.000 (2009) + €2.269 (maximumbedrag 2010) = €7.269

U koopt uw lijfrente af

Neemt u uw tegoed uit een lijfrenterekening of -beleggingsrecht (gedeeltelijk) op? Of keert uw bank, verzekeraar of beleggingsinstelling u een afkoopsom uit? Dan betaalt u daarover inkomstenbelasting en meestal revisierente.

De uitkeringsinstantie houdt de loonheffing in op de afkoopsom, of op een gedeelte daarvan. De grootte van het belaste bedrag hangt af van de hoeveelheid premies en stortingen die u heeft afgetrokken (zie boven).

U moet revisierente betalen als u een lijfrenteverzekering afkoopt, of als u het tegoed van uw lijfrenterekening of -beleggingsrecht in één keer opneemt. De volgende situaties beschouwt de Belastingdienst eveneens als afkoop van uw lijfrente:

  • U schonk of verkocht uw lijfrenteverzekering, -spaarrekening of -beleggingsrecht aan iemand anders.
  • U bent niet langer de rekeninghouder van de lijfrenterekening.
  • U heeft het tegoed op uw lijfrenterekening laten deblokkeren.
  • U heeft een poliswijziging doorgevoerd, waardoor uw lijfrente niet meer aan de voorwaarden beantwoordt (zie boven).

U betaalt geen revisierente over afkoopsommen van oud-regime-lijfrenten. Deze werden afgesloten vóór 16 oktober 1990 of tussen 16 oktober 1990 en 31 december 1991. In dat laatste geval mag er geen premie betaald zijn na 31 december 1991.

De revisierente bedraagt 20% van de waarde in het economisch verkeer van de lijfrenteverzekering, het tegoed van de lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Bij afkoop is de waarde gelijk aan de afkoopsom. De Belastingdienst voorziet hiervoor een rekenhulp. Dit hulpmiddel bepaalt ook of het voor u voordeliger is om de rente te berekenen volgens de normale methode of volgens de tegenbewijsregeling. Die laatste kunt u gebruiken als u de lijfrenteverzekering, -rekening of -beleggingsrecht afkocht binnen 10 jaar na overeenkomst.

Als de afkoopsom van uw lijfrente lager ligt dan €4.317 (2017), dan moet u alleen belasting betalen over de afkoopsom, en niet over de revisierente. Dit heet de regeling afkoop kleine lijfrenten. Raadpleeg de website van de Belastingdienst voor uitzonderingen op deze regel.

Ook als u (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bent, kunt u uw lijfrenteverzekering, -spaarrekening of -beleggingsrecht afkopen zonder revisierente. U moet dan wel na de afkoop nog minstens 12 maanden arbeidsongeschikt zijn. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • Bij afkoop heeft u de AOW-leeftijd nog niet bereikt.
  • Het opgenomen tegoed uit de lijfrente mag niet hoger zijn dan €40.321 (2017).
  • Een arts moet kunnen verklaren dat u nog minstens 12 maanden na afkoop arbeidsongeschikt zult zijn, of u kunt bewijzen dat u een periodieke uitkering uit arbeidsongeschiktheid ontvangt of zult ontvangen.

Posted: 19 Feb, 2018

Frances Van de Vel

Lees meer van deze auteur

De bloggers van Ageras geven geen persoonlijk advies met betrekking tot financiële of juridische aangelegenheden - daarvoor kunt u beter een boekhouder inschakelen. Laat ons weten wat u precies zoekt, en wij sturen u zo snel mogelijk - en helemaal gratis - 3 vrijblijvende offertes van boekhouders in uw buurt.